menu

Interview Trouw: Jeugdbescherming onder druk

Gepubliceerd op: 17-12-2021

Vandaag verscheen in Trouw een interview met onze bestuurder Claire Vlug en Ruud Brinkman, bestuurder Jeugdbescherming Overijssel. Je leest het interview hieronder:

De enorme werkdruk en het personeelstekort bij de Jeugdbescherming lopen uit de hand. Bestuurders waarschuwen dat er nu wat aan gedaan moet worden. Ondertussen ligt hun werk meer dan ooit onder het vergrootglas. ‘Mensen die te maken kregen met de toeslagenaffaire, kloppen bij ons aan omdat ze vinden dat hun kinderen onterecht uit huis zijn geplaatst.’
Kristel van Teeffelen17 december 2021, 12:00


Het is een negatieve spiraal, zegt Ruud Brinkman, bestuurder bij Jeugdbescherming Overijssel. De snelheid waarmee medewerkers bij zijn organisatie vertrekken, is niet bij te benen met het aantrekken van nieuwe krachten. Ondertussen is het ziekteverzuim in het afgelopen jaar opgelopen tot 9 procent. “Ik weet nu al: in januari is dat percentage weer hoger. Hoe meer mensen vertrekken of niet inzetbaar zijn, hoe meer de werkdruk bij de andere medewerkers toeneemt. Je kunt in dit werk niet even zeggen: dan maar niet.”

Claire Vlug, Brinkmans collega bij Jeugdbescherming Amsterdam, die ook bij het gesprek is aangeschoven, herkent het verhaal. In de Randstad zijn personeelsproblemen bij de instellingen die onder meer verantwoordelijk zijn voor de uithuisplaatsingen van kinderen, al langer nijpend. “Ik durf het bijna niet te zeggen, maar onder de jeugdbeschermers ligt ons ziekteverzuim op 11 procent. Daar zitten veel langdurig zieken tussen. Ondertussen komen we een kleine twintig collega’s tekort.”
Dit soort cijfers zijn de reden dat de veertien jeugdbeschermingsorganisaties van Nederland de politiek oproepen in te grijpen. In crisis is het stelsel al langer, maar inmiddels is de situatie onhoudbaar, schrijven de instellingen. Daarom moeten er op “de kortst mogelijke termijn” maatregelen komen. “Dat zijn we niet alleen aan onze jeugdbeschermers verplicht, maar bovenal aan de kinderen, jongeren en gezinnen die ernstig knel zitten”, staat in een brief aan demissionair minister voor rechtsbescherming, Sander Dekker.

Hoe ziet een onhoudbare situatie eruit?
Ruud Brinkman: “Jeugdbeschermers hebben heel veel gezinnen onder hun hoede. Het kan gaan om wel twintig, soms 25 kinderen. In de praktijk betekent dit dat zij per kind zes tot acht uur per maand te besteden hebben. Als je kijkt naar de complexiteit van de problemen waar veel van deze gezinnen mee te maken hebben, vechtscheidingen bijvoorbeeld, dan is er veel meer tijd nodig.
“Zo waren vorige week bij ons twee jeugdbeschermers twee weken lang bijna fulltime bezig om te voorkomen dat kinderen uit huis werden geplaatst. Het ging om een gezin dat uit huis gezet dreigde te worden. Met veel moeite is een uithuisplaatsing voorkomen, maar die collega’s konden twee weken lang hun tijd niet aan andere dossiers besteden. En er zijn ook geen andere collega’s beschikbaar die het kunnen opvangen. Dat schuurt gigantisch en doet veel mensen pijn.”
Claire Vlug: “Wij voeren met elke jeugdbeschermer die vertrekt een exitgesprek. Bijna altijd is de ervaren werkdruk de reden dat mensen stoppen, in combinatie met het stelsel waarin ze moeten werken. In dat stelsel is er te weinig zorg beschikbaar voor kinderen en ouders, onder meer door wachtlijsten bij zorginstellingen. De jeugdbeschermers voelen zich verantwoordelijk voor kwetsbare kinderen, maar kunnen niet altijd het werk doen zoals ze dat willen doen.”

Wat verwacht u van het Rijk? Meer geld?
Brinkman: “We hebben meer geld nodig om meer personeel aan te kunnen trekken en de werklast te verminderen. Maar dat is niet het enige. Er ligt een toekomstscenario voor het jeugdzorgstelsel (zie kader, red.) waar wij in hoofdlijnen achter staan en waar hard aan wordt gewerkt.”
Vlug: “Wat ook van belang is, is dat mensen snappen hoe mooi dit vak is. Er klinkt zoveel negativiteit over ons dat je wel gek moet zijn om hier te werken, lijkt het soms. Dat is niet terecht. Onze mensen zetten zich elke dag in voor kwetsbare kinderen, ze dragen zorg voor hun veiligheid. Natuurlijk gaan er dingen mis, maar er zijn ook positieve verhalen. Er zijn dankbare kinderen en ouders, omdat we ze geholpen hebben.”

U waarschuwt dat uw medewerkers ook te maken krijgen met bedreigingen en intimidaties. Komt dat vanuit ouders?
Brinkman: “Van ouders en het netwerk om ouders heen. Maar soms ook van mensen die zich verbonden voelen met het onderwerp. Wat er gebeurt, gaat echt je voorstellingsvermogen voorbij. Het gaat om fysieke en verbale agressie, dreigementen, intimidaties. We hebben vorig jaar een medewerkersonderzoek gedaan en daaruit bleek dat meer dan 90 procent van onze jeugdbeschermers ermee te maken heeft. Ze volgen trainingen om met agressie om te gaan. Maar waar ik nog het meeste van schrik is dat sommigen het geaccepteerd lijken te hebben. Alsof het nou eenmaal bij het werk hoort.”

Voor ouders is het weghalen van hun kind zeer ingrijpend. Het is voor te stellen dat emoties dan hoog kunnen oplopen.
Vlug: “Emotie mag er zijn. Onze mensen hebben daar echt wel begrip voor. Ik begrijp best dat je een keer vloekt of schreeuwt, dat zou ik waarschijnlijk ook doen in zo’n situatie. Maar er zijn grenzen aan hoe je uiting geeft aan die boosheid. Je blijft met je poten van professionals af.”
De noodkreet aan de politiek komt op een moment dat de Jeugdbescherming in het maatschappelijke debat onder een vergrootglas ligt. Directe aanleiding daarvoor is de uithuisplaatsing van minstens 1115 kinderen van ouders die te maken kregen met de toeslagenaffaire.
Bij zowel de Jeugdbescherming in Amsterdam als in Overijssel kloppen ouders aan die zeggen dat hun kinderen onterecht uit huis zijn geplaatst nadat ze de dupe werden van het ongekend harde optreden van de Belastingdienst. Die dossiers worden nu onderzocht. Zorgvuldigheid is daarbij van belang, zegt Brinkman. “We moeten geen overhaaste beslissingen nemen. Als terugplaatsing aan de orde is, dan is het goed eerst een analyse te maken van welke ondersteuning er nodig is.”

Gaat u te snel over tot uithuisplaatsingen?
Brinkman: “Ik denk dat we allemaal uithuisplaatsingen zoveel mogelijk willen voorkomen. Het is een traumatische gebeurtenis voor alle betrokken partijen. We doen dat niet zomaar. Als een kind in een onveilige situatie zit of als er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, dan kijken wij niet weg, maar dan grijpen we in. “Wel kunnen we nog stappen zetten. Zo zouden we veel meer de samenwerking willen aangaan met andere zorgverleners, zoals de wijkteams. We kunnen dan met alle kennis de juiste afweging maken wat een gezin nodig heeft. Van zo’n situatie is nu nog geen sprake, daarvoor zijn flinke investeringen nodig. ”Vlug: “Het is frustrerend dat ouders en kinderen nu vanwege wachtlijsten niet altijd de zorg krijgen die ze nodig hebben. Regel je dat goed, dan kan ik me voorstellen dat er minder uithuisplaatsingen nodig zijn.”

Ouders zijn bang hun kinderen kwijt te raken zodra uw organisatie om de hoek komt kijken. Die angst komt toch ergens vandaan?
Vlug: “Ik werk sinds 2005 bij deze organisatie en dat imago is altijd zo geweest. Fouten die in het verleden zijn gemaakt, zoals bleek uit het rapport van de commissie-De Winter over geweld in de jeugdzorg sinds 1945, worden ons nog steeds nagedragen. Ondertussen denk ik dat de
samenleving wegkijkt voor de complexe problemen binnen gezinnen waar wij mee te dealen hebben.”

Ook recent nog verschijnen er rapporten die spreken over slecht knip- en plakwerk en feitelijke onjuistheden in dossiers op basis waarvan de rechter besluit of een kind uit huis wordt geplaatst. Er gaan dus nog dingen mis.
Vlug: “We willen het eerlijke verhaal vertellen. Ja, er gaan ook dingen mis. We moeten ons houden aan een pittig normenkader. Dat betekent dat we onze kwaliteit doorlopend moeten toetsen. Van elk incident maken we een verslag. Wel is het zo dat als je de werkdruk voor onze mensen zo hoog laat zijn, de kans dat we van fouten leren steeds kleiner is. De tijd om te reflecteren op ons werk is er steeds minder.” Brinkman: “Op dit moment wordt de druk op onze jeugdbeschermers alleen maar groter, waardoor het risico bestaat dat er meer fouten worden gemaakt. Dat wil je voorkomen.”

Is een uithuisplaatsing wel in het belang van een kind? Kinderen zijn niet altijd beter af in een pleeggezin of een jeugdinstelling.
Vlug: “Precies met dat soort vragen hebben onze mensen elke dag te maken. Besluiten over uithuisplaatsingen en ondertoezichtstellingen worden altijd in het team besproken. Het is een moreel dilemma. En juist dat maakt dit vak zo prachtig en complex. “Het probleem is dat je het eigenlijk nooit goed doet. Een kind uit huis plaatsen is een heftige maatregel, maar niets doen kan ook desastreus zijn. We hebben nu een schadeclaim lopen van een jongen die ons aansprakelijk stelt voor het feit dat we hem níet uit huis hebben geplaatst. Dat komt zelden voor, maar het komt voor.”

Bent u in de huidige situatie wel in staat de juiste belangenafweging te maken? U spreekt over een onhoudbare situatie, maar neemt ondertussen wel ingrijpende beslissingen

Vlug: “Het is belangrijk dat dingen niet door elkaar gaan lopen. Dat gezinnen niet meteen de hulp kunnen krijgen die ze nodig hebben, betekent nog niet dat we een verkeerde beslissing maken als we vinden dat een kind uit huis moet worden geplaatst. Dat betekent dat op dat moment die maatregel nodig wordt geacht voor de veiligheid van het kind. Wel worden we geacht besluiten te nemen, terwijl we niet het mandaat hebben te werken met de juiste informatie. Informatie van psychiaters bijvoorbeeld kan ons soms helpen bij de inschatting of een situatie veilig is of niet. Maar veel informatie krijgen we niet, omdat het niet met ons gedeeld mag worden als de ouders geen toestemming geven. Daar zou iets in moeten veranderen. We zouden als betrokken hulpverleners meer samen moeten optrekken.”

Nu al wordt de Jeugdbescherming door ouders als machtsblok ervaren. Als organisaties ook nog samen gaan optrekken, dan is het toch helemaal de machtige overheid tegenover de ouders?
Vlug: “Als we worden gezien als machtsblok, dan doen we iets niet goed als organisatie. Dan staan we blijkbaar onvoldoende in contact met het gezin waar we mee werken. Waar wij beter in moeten worden is om gezinsplannen die we maken mede van het gezin te laten zijn. Dat ouders en kinderen invloed hebben op de manier waarop het wordt geschreven.”
Brinkman: “We willen niet onze macht vergroten, we willen de juiste interventie kunnen doen. Maar de realiteit is dat er altijd een machtsverhouding zal blijven. Wij dwingen ouders om mee te werken. Het is dus de vraag of je het gevoel van een machtsblok helemaal kunt wegnemen.”

Toekomstscenario
Het ministerie ontwikkelde een toekomstscenario over hoe de Jeugdbescherming er over vijf tot tien jaar uit kan komen te zien. Uitgangspunt daarbij is dat het allemaal eenvoudiger moet en ‘meer gezinsgericht’. Zo krijgen kwetsbare gezinnen in de toekomst één vaste hulpverlener aangewezen. Die hulpverlener kan als dat nodig is overleggen met een nieuw op te richten Regionaal Veiligheidsteam. In dat team wordt ook de taak van de Jeugdbescherming ondergebracht. Hoewel er brede overeenstemming is dat er iets moet veranderen, klinkt er ook kritiek op het plan. De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) vindt bijvoorbeeld dat meer dan nu de kinderrechten het uitgangspunt moeten zijn in het toekomstige beleid. Zo wordt helder wat een overheid mag en moet doen als het ingrijpt in het leven van een gezin. Ook vindt de RSJ dat de rechtsbescherming van ouders en kinderen beter moet worden geregeld.

Deel dit bericht op social media

Volg ons ook op social media